
Hemofilie is een erfelijke bloedziekte. Bij mensen met hemofilie stolt het bloed te langzaam. Gezond bloed bevat enkele stollingsfactoren die ervoor zorgen dat het bloed op het juiste moment stolt. Bij hemofilie gebeurt dat niet. Daardoor ontstaan (spontane) bloedingen in de spieren, gewrichten en onder de huid. Ook blijven wondjes lang doorbloeden.
Er bestaan twee soorten hemofilie: A en B. Het verschil zit hem in het soort stollingsfactor dat ontbreekt of onvoldoende aanwezig is. Beide vormen kunnen licht tot ernstig zijn. Bij de ernstige variant ontstaan spontane bloedingen.
In het verleden is het wel voorgekomen dat iemand met hemofilie tijdens een bloedtransfusie is besmet met het HIV-virus of met hepatitis (geelzucht). Tegenwoordig komt dit vrijwel niet meer voor. De bloeddonoren worden eerst uitgebreid onderzocht voor ze bloed kunnen afstaan. Daarnaast zijn er stollingsproducten die via een andere procedure gemaakt worden.