
Dyspnoe is een onaangenaam en vooral angstig gevoel dat de ademhaling tekort schiet. Er wordt dan ook vaak gesproken over kortademigheid of benauwdheid.
Er is geen duidelijke relatie tussen het gevoel van dyspnoe, het zuurstofgehalte in het bloed of het prestatievermogen. De situatie bij dyspnoe is te vergelijken met pijn: iedereen beleeft dit anders en wat voor de een ernstig is, hoeft voor de ander niet zo te zijn. De mate van de ervaren dyspnoe is ook niet afhankelijk van de ernst van de ziekte die dit veroorzaakt.
Dyspnoe komt voor bij 50% van de mensen met kanker in de palliatieve zorg.
Het ademhalingscentrum in de hersenen regelt de ademhaling. Bij het ademhalingscentrum komen signalen binnen van ondere andere de hoeveelheid zuurstof in het bloed en de rek van de luchtwegen. De ademhalingsspieren worden via een reflex aangestuurd, maar zij kunnen bewust of onbewust worden beïnvloed (bewust dieper ademhalen of de adem inhouden). Het bewust zijn van je eigen ademhaling ontstaat in de hersenen.
De ademhaling kan als gevolg van een ziekte of aandoening verstoord raken. Het bewust worden van deze verstoring, geeft waarschijnlijk het gevoel van dyspnoe. Allerlei individuele ervaringen zoals angst, vermoeidheid, ervaringen uit het verleden, omstandigheden waarin men verkeert, kleuren die beleving die dan als meer of minder onaangenaam of angstig wordt ervaren. Dyspnoe geeft geen pijnklachten.
De verstoring van de regeling van de ademhaling kan het gevolg zijn van:
Mensen met dyspnoeklachten zijn geneigd steeds minder inspanning te leveren om te vermijden dat ze buiten adem raken. Maar door zo te handelen, dreigen ze in een vicieuze cirkel terecht te komen; de spieren zien hun inspanningscapaciteit verminderen bij gebrek aan training en hebben dan ook voortdurend meer zuurstof nodig om dezelfde inspanning te kunnen leveren. Daardoor zal men uiteindelijk dieper ademhalen en toch buiten adem zijn. Het is belangrijk deze vicieuze cirkel te doorbreken door een aangepaste oefening van de spieren, zodat deze opnieuw aan inspanningen wennen.
De oefeningen zijn erop gericht de inspanningscapaciteit op te voeren en tegelijkertijd de ademnood te verminderen. Zo kan men de dagelijkse bezigheden verrichten zonder met een ademtekort te kampen. Bij sommige mensen zijn de ademhalingsspieren eveneens ernstig verzakt. Deze kunnen worden versterkt door dagelijks gedurende 20 tot 30 minuten oefeningen uit te voeren, zoals tegen een weerstand te ademen (bijvoorbeeld met een rietje in een kom water blazen). Het gevoel van kortademigheid zal hierdoor afnemen.