logo
Radiologie » Praktische informatie » Contrastmiddelen
tekst verkleinentekst vergroten tekstgrootte

Gebruik van contrastmiddelen bij de afdeling Radiologie

In de radiologie is het nodig dat er contrast is te zien op de foto. Men wil immers de organen en hun structuren kunnen onderscheiden om zo een oordeel over de conditie van het orgaan te kunnen uitspreken. Wanneer er in de radiologie over contrast wordt gesproken, bedoelen we daarmee verschillen in zwarting op de foto. Dit zwartingsverschil ontstaat doordat röntgenstraling in verschillende mate wordt geabsorbeerd door het lichaam. Delen van het lichaam die veel röntgenstraling doorlaten, zullen zwarter op de foto worden afgebeeld dan delen die weinig straling doorlaten. Sommige weefsels echter, laten röntgenstraling ongeveer in gelijke mate door. Om deze weefsels dan toch nog duidelijk van elkaar te kunnen onderscheiden, maakt men  gebruik van kunstmatig toegepaste contrastmiddelen. Deze contrastmiddelen kunnen ingedeeld worden in negatieve en positieve contrastmiddelen. Negatieve contrastmiddelen absorberen weinig röntgenstraling. Denkt u hierbij aan gassen zoals lucht of koolstofdioxide. Positieve contrastmiddelen absorberen röntgenstraling juist heel sterk. Bariumsuspensies en jodiumhoudende contrastmiddelen vallen onder deze groep.

Wijze van toediening

Contrast kan op diverse wijzen worden toegediend:

  • via de bloedbaan
    Vaak wordt contrastmiddel via een infuus in een ader toegediend. Contrast kan ook via een slagader ingespoten worden, bijvoorbeeld bij een angiografie.
  • oraal
    Vloeibaar contrast wordt door de patiënt gedronken.
  • anaal
    Met behulp van een kort plastic slangetje (canule) wordt contrast via de anus ingebracht (veelal bij onderzoeken van de dikke darm).
  • vaginaal
    Een olieachtig contrast wordt vaginaal ingespoten om een afbeelding te verkrijgen van baarmoeder, eileiders en eierstokken.
  • via het zenuwstelsel
    Met een ruggenprik is het mogelijk om contrast in het ruggenmergkanaal te spuiten.
  • in een gewricht
    Met een dunne naald kan contrast (vaak in combinatie met medicijnen) direct in het gewricht gebracht worden.
  • via een onnatuurlijk verkregen opening
    Denk hierbij aan contrasttoediening via een (blaas)katheter, stoma, drain of fistelopening.

Soorten contrastmiddelen

  1. Jodiumhoudend contrast (in water oplosbaar)
    Jodiumhoudend contrast wordt gebruikt bij CT-scans, angiografieën en diverse doorlichtonderzoeken.
  2. Jodiumhoudend contrast (olieachtig, niet in water oplosbaar)
    De meest bekende is Lipiodol® die gebruikt wordt bij hystero- salpingografie (het afbeelden van baarmoeder, eileiders en eierstokken).
    Olieachtige jodiumhoudende contrastmiddelen mogen niet in de bloedbaan worden gespoten, omdat daardoor een vetembolie kan ontstaan.
  3. Contrastvloeistof voor MRI onderzoek (gadolinium)
    Contrastmiddelen voor MRI-diagnostiek kunnen bestaan uit meglumine en gadolinium. Gadolinium is een paramagnetische substantie. De werking van het contrastmiddel komt erop neer dat het contrast tussen magnetisch gelijkwaardige, maar histologisch verschillende weefsels, wordt versterkt. Na intraveneuze (dat wil zeggen in een ader gespoten) injectie kan een kortdurende warmte- en/of pijnsensatie optreden op de injectieplaats.
  4. Bariumsuspensie
    Barium wordt alleen gebruikt voor onderzoeken van het maagdarmkanaal. Het wordt in de vorm van een papje (suspensie) toegediend. Het kan niet in de bloedbaan worden opgenomen en geen allergische reacties veroorzaken. Barium kan verdund worden gedronken of via een slang of canule inlopen. Eenmaal in de dikke darm wordt er water onttrokken aan de suspensie. Hierdoor dikt het in en kan het tot opstopping leiden. Veel drinken na afloop van het onderzoek is dan ook noodzakelijk. Barium mag niet in de bloedbaan, de longen of de vrije buikholte komen. Het mag dus niet gebruikt worden bij verdenking op een maag- of darmperforatie. Ook bij patiënten die zich gemakkelijk verslikken, wordt gekozen voor een ander oraal contrastmiddel.
  5. Lucht
    Lucht als contrastmiddel wordt vaak in combinatie met barium gebruikt voor darmonderzoek. Men spreekt wel van de dubbelcontrastmethode (zowel positief als negatief contrast). Via een canule wordt er tijdens het onderzoek wat lucht in de dikke darm geblazen. Dit geeft extra contrast op de foto’s en zorgt er tevens voor dat de darm zich ontplooit en zo beter te beoordelen is. Een nadeel van het blazen van lucht is dat de patiënt vaak een wat opgeblazen gevoel ervaart, mogelijk gepaard gaande met darmkramp.
  6. Koolstofdioxide
    Bij maagonderzoeken spuit of blaast men geen lucht in de maag, zoals dat gebeurt bij darmonderzoeken. Bij een maagonderzoek wordt de patiënt een lepel met koolzuurkorreltjes gegeven. Zodra deze korreltjes in contact komen met vloeistof, komt er koolzuurgas vrij. Het is daarom van belang dat de patiënt de korreltjes zo snel mogelijk doorslikt, zodat het gas pas in de maag vrijkomt. De koolzuurkorrels zijn bekend onder de naam Zoru® granules.

Eventuele bijwerkingen van contrastmiddelen

Wanneer een onderzoek met contrastmiddelen gedaan moet worden, is het belangrijk dat eerst wordt vastgesteld of u hier niet overgevoelig voor bent. Indien u allergisch bent, of astma of suikerziekte heeft, moet bekeken worden of onderzoek met contrastmiddelen wel geschikt is. De arts en de radiologisch laborant bespreken dit vooraf met u.

Bij het gebruik van jodiumhoudende contrastmiddelen op waterbasis kan er wel sprake zijn van bijwerkingen, hoewel deze kans steeds kleiner wordt door toenemende ontwikkelingen op het gebied van contrastmiddelen. Deze bijwerkingen zijn van invloed op de huid en slijmvliezen, het respiratoire systeem, het cardiovasculaire systeem en het zenuwstelsel. De reacties die kunnen ontstaan, worden onderscheiden in niet-allergische (toxische) en allergische reacties.

  • Tot de niet-allergische reacties behoren:

misselijkheid, braken, hittesensatie (branderig gevoel) en het gevoel alsof men moet plassen. Het branderige gevoel dient daarbij te worden onderscheiden van de pijn die ontstaat wanneer het contrastmiddel buiten het bloedvat terechtkomt. Ook dit is geen allergische complicatie, maar kan wel matige tot ernstige pijn veroorzaken; overigens zonder ernstige gevolgen.

  • Allergische reacties kunnen zich onder andere als volgt manifesteren:

jeuk, galbulten (urticaria), niezen of een dikke keel (glottisoedeem). De ernstigste reactie is de anafylactische shock. Een reactie valt niet te voorspellen. Patiënten met een allergische voorgeschiedenis of constitutie hebben wel een iets verhoogd risico op allergische bijwerkingen. Reacties treden in de regel binnen één uur na de injectie op. De patiënt wordt daarom altijd goed geobserveerd, zodat indien nodig een eventuele reactie meteen kan worden behandeld.
 

radiologie
medisch specialisme dat zich bezighoudt met het verrichten van onderzoek en het stellen van diagnoses met behulp van stralen of apparaten die de weefsels en organen van het lichaam zichtbaar maken
contrastmiddelen
vloeistoffen die geen röntgenstralen doorlaten en in het lichaam gebracht worden om delen van het lichaam zichtbaar te maken op een röntgenfoto
angiografie
het zichtbaar maken van bloedvaten op een röntgenfoto door inspuiting van een contrastmiddel
stoma
niet-natuurlijke opening die een lichaamsholte met de buitenwereld verbindt
MRI
magnetic resonance imaging; methode om de magnetische eigenschappen van weefsels vast te leggen met een magneetveld en radiogolven; de kleinste structuren van het lichaam worden hierdoor zichtbaar gemaakt
bijwerkingen
bijkomende effecten van geneesmiddelen, medische behandelingen of gebruik van medische hulpmiddelen
astma
aanvallen van benauwdheid en kortademigheid, veroorzaakt door vernauwing van de kleinere luchtwegen
KANS
klachten aan arm, nek en/of schouder
slijmvliezen
slijmafscheidende vliezen die holten en kanalen van het lichaam, zoals de luchtwegen en het spijsverteringskanaal, bekleden
misselijkheid
neiging tot braken
jeuk
kriebelend gevoel aan de oppervlakte van de huid dat aanzet tot krabben
shock
toestand die ontstaat door acuut te geringe bloedtoevoer naar de weefsels
radiologie
medisch specialisme dat zich bezighoudt met het verrichten van onderzoek en het stellen van diagnoses met behulp van stralen of apparaten die de weefsels en organen van het lichaam zichtbaar maken
contrastmiddelen
vloeistoffen die geen röntgenstralen doorlaten en in het lichaam gebracht worden om delen van het lichaam zichtbaar te maken op een röntgenfoto