

Histologie betekent weefselleer. Op het histologisch laboratorium vindt onderzoek plaats op weefsel dat afkomstig is van het hele lichaam, onder andere verkregen door chirurgie of biopsie (een stukje weefsel dat is weggenomen voor onderzoek). Na een beoordeling met het blote oog op afwijkingen (macroscopie), worden van het te onderzoeken weefselmateriaal gericht monsters (kleine plakjes weefsel) genomen.
De uitgenomen monsters worden op het laboratorium technisch bewerkt tot een lichtmicroscopische preparaat. Bij deze bewerking wordt het water uit het weefsel verwijderd en vervangen door paraffine. De histologische analist kan van het weefsel zeer dunne plakjes snijden (ongeveer 0,003 milimeter). Deze plakjes (coupes) worden op een glaasje geplakt en gekleurd waardoor de cellen duidelijk zichtbaar zijn onder de microscoop.
Ter ondersteuning van de diagnosestelling hebben de laboranten de beschikking over de modernste onderzoekstechnieken, bijvoorbeeld immuuncyto- en histochemie, morfometrie, enzymhistochemie, moleculaire pathologie, flowcytometrie of elektronenmicroscopie.